Verhalen uit het archief
Vreemde overheersers in De Meije

DOOR COCK KARSSEN

Evenals het dorp Bodegraven is de streek De Meije ook geteisterd door allerlei vreemde overheersers.

Het gebied is van oudsher een waddengebied geweest, dat later begroeid werd met moerasbos, en weer later vormde zich een metersdikke veenlaag op de zeeklei. De oude naam Miland betekent dan ook broekland, dat is drassig land. Er moet ook nog een afsplitsing van de Oude Rijn, de Linschotenstroom, door het gebied gelopen hebben, die op sommige plaatsen ook flinke kleilagen heeft achtergelaten. Zo moet er bij de watertoren een meters dikke kleilaag te vinden zijn. De Meije zelf is waarschijnlijk een restant van deze rivier. Deze wetenschap heeft Dr. C.J. van Doorn in de vorige eeuw over het oude Miland verzameld. Het laagveen werd uiteindelijk ontgonnen tot bouwland, en na de inklinking van het land werd het tenslotte geschikt voor grasland. Dat zal rond 1450 geweest zijn.
De bisschop van Utrecht had het voor het zeggen. Men pachtte de grond van hem, en zijn rentmeester en landzaten beheerden het geheel. Na 1296 kwam een deel dat langs de Meije lag bij het  graafschap Holland, terwijl het noordelijke deel Stichts bleef. Pas in de periode tussen het jaar 1000 en 1100 is er sprake van een bewoningskern, en direct ook al van conflicten tussen de heersers. In de hele periode van de 11e, 12e en 13e eeuw zijn er problemen tussen de graven van Holland en de Bisschoppen van Utrecht over het Miland.

Lees meer...